Poëzieworkshop: de basis

In zes (of zeven) stappen naar een gedicht 

Image

Het grote schrijfdoeboek

Poëzie is woordkunst. Maar dan moet je wel de juiste woorden zien te vinden. En durven te spelen met taal. Want 'Dichten is net als koken: je pleurt maar wat in de pan als je koken kan', zoals een groot dichter ooit schreef. 

Hier een korte workshop poëzieschrijven, afkomstig uit het Grote-Schrijf-Doe-Boek.

Stap 1 Zit niet zo te k*violen

Een appeltaart bak je met zelfrijzend bakmeel, zout, suiker, boter en appels. En natuurlijk een oven. En een taartvorm. Uiteindelijk gaat het bij het schrijven van een gedicht maar om één ingrediënt: woorden. Goede woorden. Woorden die klinken, die iets oproepen, die precies op de goede plek staan. Le mot juste: het juiste woord.
    Neem het gedicht ‘Inblazing’ van K. Michel (uit Waterstudies, 1999)

Als iemand die van je houdt niet van je houdt
maar je wel op wil eten terwijl je geen appel bent
noch de wortel uit drie, dan mag nee niet
en kan je niet
een raadsel dat je rok na rok
afpelt als een ui, treurwerksgewijs
tot alle generaties op zijn
en een stem klinkt
die op oudtestamentische toon beveelt
zit niet zo te kutviolen.

Dat laatste woord is precies goed, want na de tamelijk plechtstatige regels over een stem met een oudtestamentische toon, schrik je wakker. En dat is het effect dat de dichter waarschijnlijk wil bereiken.

Oefening 

Pak een krant of een magazine en blader het door. Als je oog op een bijzonder woord valt – een woord dat iets met je doet, dat je bijblijft – schrijf het dan op. Verzamel er zo een stuk of tien. Kijk of de gevonden woorden iets met elkaar te maken hebben. Trek lijnen tussen verwante woorden. Streep de andere door.Gebruik de overgebleven woorden om een idee te formuleren en schrijf daarmee een eerste opzet voor een gedicht.

 

Stap 2 Fokkenschoot is beter dan touw

Image

Dichten doe je zo

In Dichten doe je zo schrijft Yke Schotanus over het gebruik van woorden in poëzie. Wat is de juiste woordkeus, vraagt hij zich af. Dat hangt van de context af, zo redeneert hij, een woord is namelijk altijd afhankelijk van de andere, omringende, woorden. 
    Toch kun je wel het een en ander over woordkeuze zeggen, beweert Schotanus. Bijvoorbeeld: hoe concreter, hoe beter. En: hoe specifieker, hoe beter. ‘”Fokkenschoot” is beter dan “touw”, tenzij je in paniek bent en niet meer weet welk eind touw je grijpt om niet overboord te slaan.’ 
    Probeer je zelfstandige naamwoorden ook in dezelfde sfeer te houden, leert het gedicht van Michel ons. Appel, wortel, ui: er komt een halve groentenboer voorbij in ‘Inblazing’.

Oefening
Ga terug naar de eerste opzet van je gedicht. Kijk naar de zelfstandige naamwoorden. Zijn ze specifiek genoeg? Kijk of je bepaalde woorden verder kunt concretiseren en specificeren. Werkt goudreinet beter dan appel? Is sjalot beter dan ui? En: zijn je zelfstandige naamwoorden in dezelfde sfeer? Herschrijf nu je gedicht met deze nieuwe inzichten.

 

Image

Boom Buurman Driesum kaal

Stap 3 Een harde toon

Het zijn niet alleen de zelfstandige naamwoorden die in je gedicht een functie hebben. Taal kent nu eenmaal vele soorten woorden: werkwoorden, voegwoorden, bijwoorden, bijvoeglijke naamwoorden.
    Van die laatste categorie wordt altijd gezegd dat je ze maar beter kunt mijden in gedichten en verhalen. Een ‘mooie, grote boom’ zegt niet zoveel: het kale ‘boom’ is net zo veelzeggend. 
    In het gedicht van Michel tref je nauwelijks specificaties aan: je vindt geen ‘rode’ appel, geen ‘geelrokkige’ ui en ook de stem is niet hard, hoog of hemels. Alles is wat het is – zonder bijvoeglijke naamwoorden. Een uitzondering daargelaten. Namelijk: de ‘oudtestamentische’. En dat is meteen een heel bijzondere specificatie. Een bijvoeglijk naamwoord dat dertien letters groter is dan zijn baas, het zelfstandig naamwoord toon. Lees ‘harde’ in plaats van ‘oudtestamentische’ en het effect is weg. En dat doet een goedgekozen bijvoeglijk naamwoord.

Oefening 
Kijk naar de bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden in je gedicht. Zijn ze nodig? Voegen ze iets toe? Welke kunnen echt niet weg? Zijn ze bijzonder genoeg? Kun je ze vervangen door sterkere? Herschrijf je gedicht.

 

Stap 4 Houd van me, toe!

Image

Love me do

'Laat de werkwoorden werken’, zei mijn leraar Engelse Letterkunde altijd. ‘Want dat is het grote verschil tussen Engels en Nederlands,’ zei hij: ‘Nederlands is meer een taal van (zelfstandige) naamwoorden, Engels van werkwoorden.’ Vandaar dat Engels zoveel vlotter klinkt, en vaak minder woorden nodig heeft. ‘Love, love me do’: het eerste hitje van de Beatles. Drie werkwoorden en een persoonlijk voornaamwoord. Het werkt. Houd van me, houd van me, toe! Vier woorden worden zeven, en het zinnetje werkt minder goed – in ieder geval muzikaal. 
    Gebruik de werkwoorden wijselijk, raadt ook Schotanus aan. ‘Werkwoorden die acties omschrijven (breken, dansen, wonen, luisteren, schieten) zijn buitengewoon bruikbaar. Ze leveren veel beeld. Er horen houdingen, bewegingen, motieven en attributen bij, en die vult de lezer vanzelf in.’

Oefening
Neem je gedicht. Kijk of je werkwoorden werken. Zijn sommige aan vervanging toe? Kun je van sommige (zelfstandige) naamwoorden of andere constructies een werkwoord maken? ‘Ik maakte een vergissing’ kan zo makkelijk ‘Ik vergiste me’ worden. Laat je gedicht werken.

 

Image

Stationskat Sauwerd Annet Zaagsma

Stap 5 Maar, maar, maar…

Voegwoorden zijn het cement van de taal. ‘En’, ‘maar’, ‘of’ en ‘want’ laten aan de lezer zien hoe zinnen ten opzichte van elkaar werken. Het probleem is dat ze niet zo heel erg beeldend zijn. Die kleine cementwoordjes roepen weinig tot niets op. 
    Maar kun je ze weglaten? Soms wel, want in de voorgaande zin had ik maar kunnen weglaten. Volgens Schotanus circuleert in de spreektaal een loos ‘maar’, dat weinig met tegenstellingen te maken heeft. ‘Maar hoe is het eigenlijk met je huis?’ (wending in het gesprek). ‘Maar het gaat goed, dus’ (conclusie). In poëzie is dít ‘maar’ heel gevaarlijk. ‘Voor je het weet ziet de lezer een tegenstelling die je niet wilt, of zoekt hij er een die er niet is. Wég poëzie.’

Oefening 
Kijk naar de voegwoorden in je gedicht: markeer elke omdat, want, dus, zo en terwijl. Schrap ze vervolgens allemaal. Lees het overgeleven gedicht. Wat werkt zonder voegwoord, wat niet? 
    Doe nu hetzelfde met de lidwoorden: schrap elke de, het en een. Lees je gedicht wederom. Wat merk je? Wat is beter: met of zonder voegwoorden, met of zonder lidwoorden? Welke moeten absoluut blijven staan?

 

Image

Kerktoren Eenrum

Stap 6 Nieuw, nieuw, nieuw!

’De herfst bouwt veel kerktorens bij,’ schreef Simon Vestdijk in het gelijknamige sonnet uit 1942. Zo bouwt de poëzie ook voortdurend nieuwe woorden. Omdat de dichter er naar op zoek is, en het niet anders kan uitdrukken. Zo ontstaan nieuwvormingen als het prachtige treurwerksgewijs uit het gedicht van Michel. 
    Nieuwe woorden vind je omdat andere net niet passen. Omdat het nu eenmaal de enige manier is waarop je iets kunt zeggen. Vaak is het een kwestie van combineren, stelt Schotanus. ‘De tafel met de bolle poten wordt: bolpoottafel. De blunderende juffrouw wordt: blunderjuf.’

Oefening 
Zijn er plekken, woorden en woordcombinaties in je gedicht die schreeuwen om een eigen woord? Waar kun je nét niet uitdrukken wat je eigenlijk wilde zeggen? Is het mogelijk een nieuw woord te verzinnen? Bijvoorbeeld door het combineren van losse woorden of elementen? 
    Lees nu je gedicht hardop. Luister goed naar je eigen stem. Waar gaat het goed, waar is je gedicht minder? Welke woorden zijn overbodig? Waar missen nog woorden? Vervolmaak je gedicht.

Stapje 7 Voor de juniorschrijver! (van 7 tot 107)

Lees het volgende gedicht hardop

Liefste
ik zoek een woord
een heel nieuw woord
een woord dat niemand kent
ik zoek een woord
dat zeggen wil
dat jij de liefste bent

Hans en Monique Hagen, 'Jij bent de liefste'

Tja. In dit gedicht zoekt de ‘ik’ een woord waarmee hij kan zeggen dat iemand ‘de liefste’ is. Bedenk dat woord zelf. Hoe druk je zoiets uit? Schrijf nu een antwoord op dit gedicht, dat begint met: 

‘ik vond een woord
een heel nieuw woord’. 
 

    De rest mag je zelf verzinnen. Stuur dat gedicht op naar je liefje. Of naar jezelf.